We weten niet precies hoeveel kinderen op de vlucht er in 2017 in België vermist raakten. Child Focus spreekt van 126, de dienst Voogdij van de Federale Overheid gaat uit van meer dan 600 kinderen. Niemand weet waar ze zijn. Lees de getuigenissen van minderjarige asielzoekers die hun vluchtverhaal wel nog kunnen navertellen.

ABAS 17 JAAR

De Somalische Abas werd in de hoofdstad Mogadishu gedwongen ingelijfd bij terreurbeweging Al-Shabaab nadat die zijn vader en broer had doodgeschoten. Hij vluchtte halsoverkop met zijn familie naar Oeganda en trok alleen verder naar Europa. In België kreeg hij asiel.

“Een paar jaar geleden heeft Al-Shahaab mijn vader en mijn broer doodgeschoten. Mijn tweede broer werd door zijn hoofd geschoten. Hij viel neer op de grond, de mannen van Al-Shahaab dachten dat hij dood was en lieten hem liggen. Maar hij leefde, al was hij zwaargewond. Mijn oom heeft hem toen meegenomen naar Duitsland. Daar woont hij nog steeds. Hij is nu 22.

Mijn vader werkte voor de overheid, mijn twee oudere broers hielpen hem. Ik vermoed dat Al-Shabaab hen daarom heeft vermoord. In 2014 werd ik zelf door Al-Shabaab benaderd om te vragen of ik me bij hen wilde aansluiten. Dat doen ze bij veel jongens van 14, 15 jaar. Ze leren je onder meer hoe je bommen moet maken en aanslagen plegen. Ik wilde dat natuurlijk niet, waarop ze dreigden dat ze mij ook zouden vermoorden.

Mijn moeder was in paniek en zei dat ik niet meer naar buiten mocht, het was te gevaarlijk. Maar na een paar dagen ben ik toch de straat op gegaan. Ik dacht dat het wel kon. Nee dus, ik was nog niet lang de deur uit of iemand pakte me vast en sleurde me in een auto. Het waren vier mannen, ze bedreigden me met een wapen, zeiden dat ik voor hen moest werken. Ik was heel bang en stemde toe. Daarna brachten ze me naar huis.

Mijn moeder was nog veel banger dan ik, ze besloot meteen te vertrekken met al mijn broers en zusjes, negen kinderen in totaal. We hebben alles achtergelaten, zijn in de auto gesprongen en weggereden, naar Oeganda. Daar kreeg mijn moeder een bericht op haar gsm. Het was van Al-Shabaab en bedoeld voor mij. ‘We weten waar je bent en we komen je halen,’ stond er. Mijn moeder raakte opnieuw in paniek. Ik moest zo snel mogelijk vertrekken, weg uit Afrika. Ze heeft een smokkelaar betaald om me mee te nemen. Ik was de oudste van de kinderen, de jongste jongens liepen nog geen gevaar door Al-Shabaab te worden aangesproken. Zij zouden daar blijven, ik vertrok alleen. Bedoeling was dat ik naar mijn broer in Duitsland zou gaan. Mijn moeder betaalde een deel vooraf, de rest van het geld zou ze overmaken als ik aangekomen was. Omgerekend ging het om meer dan 1000 euro.

Ik kreeg een vals paspoort en nam samen met de smokkelaar het vliegtuig naar België. Normaal zou ik dus naar mijn broer in Duitsland doorreizen maar in Brussel raakte ik de smokkelaar kwijt. Hij zei dat hij iets moest kopen en kwam niet meer terug. Ik zat alleen in een huis te wachten, zonder geld, zonder papieren. Toen heb ik maar iemand op straat aangesproken, een Somaliër. Hij bracht me naar een moskee. Daar kon ik een paar dagen blijven. Daarna ben ik met de Somaliër naar de Dienst Vreemdelingenzaken gegaan. Ik werd doorgestuurd naar het asielcentrum in Neder-Over-Heembeek. Daar bleef ik drie weken, daarna ging ik naar een opvang in Kapellen waar ik zes maanden bleef.

Ik wilde eigenlijk naar mijn broer maar ik had geen adres of telefoonnummer van hem. Gelukkig kreeg ik een Belgische meter en peter toegewezen, zij hebben mijn broer gevonden. Hij is toen naar België gekomen. Het ging goed met hem, ik was heel blij hem te zien. Maar omdat ik mijn vingerafdrukken in België had gegeven, kon ik niet mee naar Duitsland (vanwege de Dublinakkoorden die bepalen dat vluchtelingen asiel moeten aanvragen in het EU-land waar ze arriveren, nvdr.). Mijn broer is teruggegaan, ik bleef in Kapellen. Maar hij komt vaak op bezoek, we hebben goed contact.

In Kapellen kreeg ik ruzie met een Afghaanse jongen. Het ging over cultuurverschillen. Hij daagde me telkens uit, ik wilde er niet langer blijven en heb gevraagd of ik alleen mocht wonen. Ik was inmiddels 16 en wist dat ik in België mocht blijven. Zo ben ik in Antwerpen terecht gekomen. Ik wacht nu op mijn moeder, broers en zusjes, ze hebben kort geleden bericht gekregen dat ze asiel in België krijgen. Binnenkort komen ze naar hier, op één zus na die meerderjarig is en een kind heeft. Zij blijft in Oeganda. Wij verhuizen straks met z’n allen naar Ekeren, in een appartement van mijn meter en peter. Na drie jaar zie ik eindelijk mijn moeder terug. Een van de eerste dingen die ik ga doen, is haar Nederlands leren. Zelf volg ik deeltijdsonderwijs; ik werk drie dagen in een kringloopwinkel en ga twee dagen naar school om voor pc-technieker te leren. Ik voel me welkom in België, het land is goed voor me.”

ZAHRA 17 JAAR

Zahra vluchtte in 2015 uit de provincie Ghazni in Afghanistan, nadat haar ouders omkwamen door een mortieraanslag op hun woning. Ze verblijft sinds 2 jaar in België.

“Toen ik zes jaar was, vroeg ik mijn ouders of ik naar school mocht. Onmogelijk, zeiden ze. In onze streek gingen meisjes niet naar school. De taliban verboden dat. Als je toch ging, werd je vermoord. Dus bleef ik thuis, bij mijn moeder. Mijn vader leerde me de koran in het Arabisch te lezen, maar dat was alles. Lezen en schrijven in het Dari, mijn eigen taal, kon ik niet.

Op een nacht, ik was 13 jaar, schrok ik wakker door een enorme knal. Ik was heel bang en toen ik om me heen keek, zag ik dat de muren van mijn kamer kapot waren. Overal lag stof en gruis. Meteen rende ik naar de slaapkamer van mijn ouders. Daar schrok ik nog harder. De kamer was totaal verwoest, het lag er vol puin. Mijn ouders zag ik nergens, ik raakte in paniek. Waarom zag ik ze niet? Waar waren ze? Ik hoopte dat ze buiten waren maar ook daar zag ik ze niet.

Al snel kwamen er verschillende mensen naar ons huis om te helpen zoeken naar mijn ouders. Ze haalden het puin weg, klommen over de kapotte muren. Tot ze hen vonden. Ze hebben ze naar buiten gebracht. Onder het bloed. Allebei dood. Ik ben flauwgevallen, weet niet meer wat er daarna gebeurd is. Toen mijn ouders de volgende dag begraven zouden worden, vroeg ik mijn tante of ik alsjeblieft mee mocht. Het waren mijn òuders, ik wilde ze zo graag nog even zien. Maar het kon echt niet, zei mijn tante. Als de taliban erachter kwamen dat ik als meisje alleen naar een begrafenis ging, zouden ze me doden. ‘Dan maar dood,’ zei ik. Maar het mocht niet. Meisjes mogen niets van de taliban. Ik heb mijn ouders nooit meer gezien.

Mijn oom en tante hebben me in huis genomen. Ze waren lief voor me maar ik was bang, elke dag. Als ik een deur hoorde dichtslaan, schrok ik enorm. En het bleef maar door mijn hoofd spoken; van het een op het andere moment waren mijn ouders van me weggenomen. Ik kon het niet bevatten. Op een dag zei mijn oom dat we uit Afghanistan zouden vertrekken omdat ik als jong meisje zonder ouders uitgehuwelijkt zou worden aan een taliban. We vertrokken midden in de nacht. Ik herinner me nog heel goed hoe bang ik was. We gingen naar Pakistan, dat was alles wat ik wist.

Later ging de tocht verder naar Iran en Turkije. We hebben stukken met de auto gedaan, te voet en met de bus. Het was heel zwaar. Soms zaten we lang zonder eten en sliepen we in de kou. Mijn tante was zwanger maar ze heeft haar kindje onderweg verloren. Ze was zo moe. Onze boot naar Griekenland zat overvol. De tocht duurde een paar uur en al die tijd zaten drie mensen bovenop mijn voeten. Dat deed enorme pijn, maar niemand kon zich bewegen, er was geen enkel plekje vrij. Vanuit Griekenland hebben we toen de hele tocht door Europa gemaakt.

In Duitsland kregen we handdoeken, tandenborstels en nog wat spullen. Wat was ik blij. Eindelijk had ik een eigen tandenborstel, en ik mocht zelf de kleur van mijn handdoek uitzoeken. Ik nam een paarse, ik vond hem prachtig!

Als je maandenlang onderweg bent en je hebt helemaal niets behalve een stel extra kleren, dan ben je superblij met alle kleine dingen die je krijgt. Uiteindelijk kwamen we via de trein in België terecht. Mijn oom en tante wilden naar België, maar ik weet niet waarom. In Brussel moesten we de eerste nacht zoeken naar een slaapplaats. Alle opvangplaatsen zaten vol, hoorden we. We hebben dan op het Centraal station geslapen. Later werden we naar de kazerne van Hasselt gebracht. Daar zijn we maanden gebleven.

Er was een soldaat met wie ik bevriend raakte. Eerst wist ik niet of het een man of vrouw was. Ze had kort haar en was erg groot. Dus vroeg ik het gewoon. Ze moest lachen en vroeg of ik haar wilde leren tellen in Dari. ‘Als je het mij in jouw taal leert,” zei ik. Al gauw telde ik tot honderd.

Na de kazerne ben ik bij een andere oom gaan wonen. Geen echte oom, hij was de stiefbroer van mijn moeder. De oom en tante die met me mee waren gereisd, vonden het beter dat ik naar hem ging want hij woonde al langer in België en had kinderen. Hij zou beter voor me kunnen zorgen dan zij. Daar woon ik nu nog steeds. Ik heb Nederlands geleerd en kon na een half jaar doorstromen naar het gewoon onderwijs. Nu volg ik haarverzorging en dat gaat prima. Straks wil ik verder studeren. Voor tolk of assistent maatschappelijk werker. Omdat ik anderen wil helpen die het moeilijk hebben. Want ik weet wat het is.

Intussen ben ik enorm gelukkig op school. Het heeft een tijdje geduurd voor ik me thuis voelde maar nu ga ik zo graag naar school dat ik het jammer vind als het vakantie is. Ik hoop dat ik hier kan blijven. Helaas is dat nog niet zeker, ik zal moeten afwachten of ik asiel krijg. Ik moet er niet aan denken om terug te keren. Mijn leven en mijn toekomst zijn hier. Ik heb de taal geleerd, ga naar school, ik doe zo mijn best. Het zou heel jammer zijn als dat allemaal voor niets is geweest…”

SAÏD 14 JAAR

Saïd uit Afghanistan arriveerde in de herfst van 2015 in België. Hij was door zijn ouders uit Kaboel naar Europa gestuurd, in de hoop dat zij hem later konden volgen in het kader van gezinshereniging.

Saïd: “Mijn vader en zijn broer spraken af dat ik samen met mijn neef naar Europa zou gaan. Onze ouders betaalden de smokkelaars, die zouden ons brengen tot in Brussel. Ik was toen 13 jaar. We vertrokken met de bus naar Pakistan, van daaruit ging de reis verder met de auto naar Iran. We waren met een grote groep mensen, zeker 100. In Iran werden we opgesplitst in kleine groepjes en gingen we met de auto tot in Turkije. Daar bleven we een week in een huisje in de bergen, vlak bij de zee. Vóór we de boot naar Griekenland konden nemen, moesten de smokkelaars de Turkse politie betalen, anders liet die ons niet door. In Turkije moest ik liegen, had mijn papa in Afghanistan gezegd. Ik moest zeggen dat ik in Turkije mijn ouders was kwijt geraakt. Ook over mijn leeftijd moest ik liegen. Ik was negen, geen dertien.

In Griekenland namen we de trein en deden we stukken te voet. Op het laatst vertelde de smokkelaar – het was telkens een andere – hoe mijn neef en ik de trein naar België konden nemen. In Brussel stond de broer van mijn mama op ons te wachten. Hij toonde waar we ons moesten inschrijven en onze vingerafdrukken geven. Een Afghaanse man was onze tolk. Daarna zijn mijn neef en ik naar een leefgroep gegaan (een instelling van Bijzondere Jeugdzorg). Omdat ik zei dat ik negen was, kwam ik bij de kleintjes terecht. Vanaf je twaalfde ga je naar een andere groep.”

Brenda Van Hyfte, samen met echtgenoot Pol Wauters pleegouder van Saïd: “Na zes maanden kwam Saïd bij ons in de weekends en de schoolvakanties. Toen het schooljaar voorbij was, is hij hier voltijds komen wonen. We hebben een zoon, Cyriel van vijf, en we hadden besloten dat we een ander kind wilden helpen. Vandaar dat we ons opgaven voor pleegzorg.

In eerste instantie dachten we aan een kind dat hooguit vier jaar ouder was dan onze Cyriel die destijds nog maar drie was. Maar toen we hoorden dat Saïd negen was, vonden we dat geen probleem. Het is tenslotte een kind, dat weiger je niet. Hij was wel wat groot voor negen jaar maar verder stonden we er niet bij stil.”

Wauters: “Al gauw werd het duidelijk. Op school stak hij met kop en schouders boven de anderen van zijn klas uit. Ook gedroeg hij zich ouder dan de rest. Met de Lego die we voor hem kochten, wilde hij niet spelen. Hij was duidelijk geen kind meer, maar een beginnende puber. Zijn tanden waren allemaal gewisseld en hij begon een klein snorretje te krijgen.”

Van Hyfte: “Toen Saïd vertelde hoe oud hij echt was, vielen de puzzelstukken op hun plaats. Hij legde uit dat hij van zijn ouders had moeten liegen. Hoe jonger de leeftijd van een kind dat in België aankomt, hoe meer tijd er is voor de ouders om te proberen een gezinshereniging te regelen zodat ze ook naar België kunnen. Als een jongere 18 wordt, moet hij als volwassene asiel aanvragen en is de gezinshereniging niet meer van toepassing. Niet leuk voor Saïd dat hij moest liegen natuurlijk, hij kon er niets aan doen dat zijn ouders hem voor de keuze stelden. Het maakte ons niet uit dat hij ouder was. Hij woonde bij ons en was welkom hoe hij was. Dat zal altijd zo zijn.”

Saïd: “Kinderen van acht of negen jaar krijgen sneller een verblijfspapier, wisten mijn ouders. Dus moest ik liegen. Toen ze zelf naar België wilden komen, lukte dat niet. Nu hoor ik ze bijna niet meer. Heel soms telefoneren we nog.”

Wauters: “Toen zijn ouders papieren stuurden met verschillende leeftijden van Saïd, was het duidelijk dat ze niet de waarheid spraken. Hun aanvraag werd geweigerd. Dat soort dingen gebeuren, intussen is Saïd er wel het slachtoffer van. Weet een kind van dertien veel als hij door zijn ouders helemaal naar het verre Europa wordt gestuurd. En laten we vooral niet vergeten dat er ook Afghaanse kinderen zijn die écht wegvluchten voor geweld.”

Saïd: “Het is niet zeker dat ik in België kan blijven. Ik hoop het want ik wil niet terug naar Afghanistan. Ik volg haartooi op school en wil later kapper worden. En ik voel me Belg want ik eet graag boterhammen met choco.” (lacht)

Deze getuigenissen komen uit het boek “Waar zijn ze?” van Europarlementslid Hilde Vautmans. Zij dient een resolutie in in het Europees Parlement over vermiste vluchtelingenkinderen en wil bewustzijn creëren rond het probleem. Het boek kan gratis aangevraagd worden door te mailen naar: hilde@vautmans.eu


Delen: